‘Stevige reactie’ van OM tegen relschoppers bij boerenprotest in Zwolle loopt op fiasco uit - Foto: Peter Denekamp
Foto: Peter Denekamp

‘Stevige reactie’ van OM tegen relschoppers bij boerenprotest in Zwolle loopt op fiasco uit

Zwolle – Vijf mannen moesten zich vrijdag verantwoorden bij de politierechter in Zwolle. Het vijftal werd op 4 juli aangehouden tijdens het uit de hand gelopen boerenprotest bij het distributiecentrum van Albert Heijn.

Burgemeester Peter Snijders vaardigde die avond een noodverordening uit waardoor iedereen het gebied diende te verlaten. Het Openbaar Ministerie zette zwaar in maar haalde bakzeil bij de rechter. Vier mannen kregen een veel lichtere straf dan de openbaar aanklager eiste. De enige aangehouden boer verliet de rechtszaal met opgeheven hoofd. Zowel het OM als de rechter waren van mening dat hem niets viel te verwijten.

“Demonstreren is je goed recht,” zegt de officier van justitie. “Maar als dit overgaat in ongegeneerd geweld tegen de politie of dat je er alleen komt voor de sensatie, dan volgt er een stevige reactie van ons.” De boerenprotesten zijn volgens het OM vreedzaam begonnen maar langzamerhand steeds grimmiger geworden. Het zorgt voor verharding van het politieke en maatschappelijke debat. Ook stelt het geweld van sympathisanten de boeren in een kwaad daglicht.

De openbaar aanklager vreest meer boerenprotesten in de nabije toekomst, met een stevige reactie hoopt men op een preventieve werking. Na de avondklokrellen besloot het OM met een nieuwe richtlijn te komen. Vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee voorwaardelijk, voor iedereen die zich schuldig maakt aan openlijk geweld in groepsverband terwijl er een noodverordening van kracht is. Om het signaal snel te verspreiden doet het Openbaar Ministerie live-verslag op Twitter. In tegenstelling tot de meeste zittingen van de politierechter waarbij geen pers aanwezig is, was de rechtszaal vrijdag gevuld met een tekenaar en een tiental journalisten uit het hele land.

Als eerste verschijnt de 20-jarige Ian van der K. uit Zwolle voor de rechter. Hij bekent een fles te hebben gegooid naar de mobiele eenheid. Waarom hij dat deed weet hij eigenlijk niet. Schuldbewust geeft hij aan zijn actie dom te vinden. De man is vijf maanden geleden vader geworden en sinds enige tijd klaar met zijn stukadoorsopleiding. Werken, zorgen voor zijn gezin en iets van het leven maken. Dat is de rode draad in zijn leven. De rechter bekijkt zijn strafblad, het is blanco.

Van der K. schrikt als het OM eist dat hij twee maanden de gevangenis in moet. Ook zijn advocaat vindt de strafeis buiten iedere proportie en verzoekt de rechter de straf te matigen. De politierechter concludeert dat de Zwollenaar inderdaad schuldig is aan het openlijk geweld in vereniging. “U heeft het zelf bekend en dat misdrijf is dus bewezen maar u bent een brave burger, geen notoire raddraaier en ik ga u daarom niet naar de gevangenis sturen.” Van der K. krijgt voor het openlijk geweld een taakstraf van honderdtwintig uur en een maand voorwaardelijke celstraf. Ook moet hij 410 euro boete betalen voor het overtreden van de noodverordening.

Daarna is het de beurt aan Martijn K. (37) uit Zwolle. De autospuiter is net als Van der K. vader. Ook hij bekende een flesje te hebben gegooid naar de politie. K. heeft geen strafblad en kan niet verklaren waarom hij met het flesje gooide. Het past volgens hem niet bij zijn persoon. Als de officier duidelijk maakt dat hij een gevangenisstraf moet krijgen verstijft hij van schrik. Het ontgaat de rechter niet. “Ik zie dat het u emotioneert, maar u krijgt het laatste woord.”

De Zwollenaar heeft geen advocaat en stamelt een paar woorden maar twijfelt. “Ik weet niet of ik het wel aan u mag vragen maar … nee laat maar.” Een goed luisteraar weet dat hij de rechter wilde vragen om hem niet op water en brood te zetten. Lang hoeft K. niet op het verlossende woord te wachten. Opnieuw wordt een taakstraf van honderdtwintig uur met een maand voorwaardelijke gevangenisstraf uitgedeeld. Voor het overtreden van de noodverordening moet hij een boete van 410 euro betalen.

Gerrit H., een 28-jarige Kampenaar, neemt als derde plaats op het verdachtenbankje. Emotioneel verklaart hij dat hij een bierflesje heeft gegooid. De man is voor zijn werk afhankelijk van boeren. Veel familieleden van hem zijn boer. De man heeft geen strafblad en de hele stikstofkwestie raakt hem diep. “Een shovel van de politie kwam recht op ons af en ik ben met de menigte meegegaan en gooide dat flesje.”

Volgens de politie was de rol van de man veel groter. Zij merkten de man aan als een soort sleutelfiguur die ook andere relschoppers bevoorraadde met bierflesjes om te gooien. Zijn advocaat wil daar weinig van weten. “Mijn cliënt valt hooguit op door zijn postuur en hij was er om de boeren te steunen, niet om geweld te plegen.” Volgens haar spreekt het boekdelen dat hij er met een grote strohoed op zijn hoofd rondliep. “Iemand die kwaad in de zin heeft doet dat niet, je loopt er dan als het ware met een grote pijl boven je hoofd.” Ook heeft ze geen goed woord over voor de aanhoudingseenheid van de mobiele eenheid. “Het zijn weer die ‘Romeo’s’ die geanonimiseerd hun gang gaan.” De Kampenaar zou in een cel in het arrestantenvoertuig zijn gezet. “Hij zat geboeid met zijn handen op de rug op het bankje toen een ‘Romeo’ de celdeur opende en hem in het gezicht sloeg.” Het steekt haar dat er geen beelden van zijn en niets over in het proces-verbaal staat.

De rechter wil vervolgens weten hoe hij behandeld is op het politiebureau in Zwolle. H. steekt van wal. Zijn ervaring over het verblijf in de politiecel zou niet misstaan op een website met hotelrecensies. “Ik ben daar uitstekend behandeld.” Ook H. krijgt geen maandenlange celstraf. Wel moet hij honderdtwintig uur werken en krijgt hij een maand voorwaardelijke celstraf. H. moet 410 euro boete aftikken voor het overtreden van het noodbevel. De politierechter voegt eraan toe dat hij niets kan doen aan de klap in zijn gezicht. “Een verdachte die geboeid is in het gezicht slaan hoort gewoon niet.”

Als vierde verdachte verschijnt de 20-jarige Justin van den B. uit Zwolle voor de rechter. Even lijkt het alsof de jonge Zwollenaar zich doelbewust van den domme houdt. De zaak wordt al snel ongemakkelijk, zowel voor de officier van justitie als de rechter. Van den B. begrijpt er overduidelijk weinig van wat hem is overkomen. De jongen was die dag voor de gezelligheid naar het boerenprotest gekomen. Voor hem niets anders dan een groot feest. “Gezellig tractors kijken, er was drinken en heb er een visje gegeten.” De jongen heeft autistische kenmerken. Hij volgde speciaal onderwijs en hoopt binnenkort een kamer te krijgen in een begeleide woonvorm.

De rechter wil weten of hij het eten en drinken moest betalen. “Nee, het was allemaal gratis en ik kreeg dat visje van iemand,” vertelt hij glunderend. Door vragen van de rechter en de officier van justitie wordt het snel duidelijk dat de jongen niet weet wat een noodverordening is. Met moeilijke woorden weet hij geen raad. Zijn advocaat vraagt hem of hij weet wat stikstof is. “Nee, eigenlijk niet.” In jip-en-janneketaal begint de officier aan zijn requisitoir. “Ik was vandaag niet van plan om af te wijken van de richtlijn maar doe dat nu wel.” Hij eist geen gevangenisstraf, wel honderdtwintig uur taakstraf en een maand voorwaardelijke celstraf.

Zijn advocaat onderstreept nogmaals dat Van den B. op het verkeerde been is gezet. “Voor hem was het feest. Hij kan het niet bevatten dat eerst een politieman karaoke stond te zingen tijdens de demonstratie en later de boel aan het schoonvegen was.” Het verhoor bij de politie blijkt een doorn in haar oog. Een agent vraagt Van den B. of hij rechtsbijstand wil. Dat vindt de jongen helemaal niet nodig. Hij ziet er van af. In het verhoor wordt hem gevraagd of hem een schrijven met de noodverordening is overhandigd. “Ja” is dan het antwoord. In werkelijkheid weet Van den B. niet eens wat een schrijven is, laat staan wat een noodverordening is. “Mijn cliënt had gewoon moeten worden aangemerkt als kwetsbare verdachte waardoor er een advocaat komt om hem bij te staan tijdens het verhoor,” zegt de verbolgen raadsvrouw.

Wat Justin van den B. wel beseft is dat hij geen flesje had mogen gooien. Hij heeft geen strafblad en is niet van plan om het ooit nog weer te doen. De officier van justitie vindt daarom dat hij straf moet krijgen voor zijn daden. Opnieuw gaat de rechter niet mee in de strafeis van het OM. Van den B. krijgt honderdtwintig uur taakstraf, waarvan er veertig voorwaardelijk zijn. Ook de boete van 410 euro voor het overtreden van de noodverordening moet hij betalen. Dat de uitspraak naar tevredenheid is van zijn advocaat blijkt al snel. Na kort overleg met Van den B. laat ze de politierechter weten af te zien van hoger beroep.

De vijfde verdachte verschijnt zonder advocaat. Een boer uit Doornspijk. De officier van justitie concludeert dat de man niet schuldig geweest kan zijn aan het ten laste gelegde openlijk geweld in vereniging. Zelfs niet als bewezen zou kunnen worden dat hij iets gooide naar de politie. Wel kan bewezen worden dat hij zich bevond in het gebied waar een noodverordening van kracht was. Ook daar was een hele goede reden voor volgens de officier. Hij vraagt de rechter dan ook om vrijspraak en geen boete op te leggen voor de overtreding. Dat de rechter voor de eerste keer deze middag meegaat in de strafeis is een pyrrusoverwinning voor de openbaar aanklager. Voor de boer is het eerherstel en een overwinning. Hij loopt om vijf uur ’s middags als vrij man de rechtbank uit. Net op tijd om zijn kalveren te voeren.

Artikel delen: