Vragen over geluidsschermen bij Nilantsweg

Zwolle – 7 Augustus 2013 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak die bewoners aan de Nilantsweg hebben aangespannen tegen het besluit van de gemeente Zwolle een bouwvergunning te verlenen aan Rijkswaterstaat voor de geluidsschermen aan de A28. De uitspraak was negatief voor de gemeente Zwolle en voor Rijkswaterstaat.

Uit recente berichtgeving in landelijke en lokale media kan worden opgemaakt dat de gemeente Zwolle alsnog de geplaatste windschermen wil legaliseren na een hernieuwd vergunningsverzoek door Rijkswaterstaat. Het CDA is van mening dat voordat een dergelijk verzoek wordt beoordeeld, de gemeente Zwolle en Rijkswaterstaat hernieuwd in overleg zouden moeten treden met de bewoners van de Nilantsweg. Het CDA zou dan graag zien dat betrokken partijen komen tot een oplossing zonder rechtsgang, waarbij het woongenot van de betreffende bewoners meer op waarde moet worden geschat dan tot nu toe het geval lijkt te zijn geweest. Het CDA heeft daartoe artikel 45-vragen gesteld aan het college van Zwolle.

 

Artikel 45 – vragen: Stand van zaken afwikkeling uitspraak Raad van State 201105321 / vangrail A28 IJsselbrug

 

 

Geachte college, 

 

De Telegraaf berichtte 10 januari 2014 kort over de status van de afwikkeling van de uitspraak van de Raad van State van augustus 2013 over de geleiderail bij de A28 ter hoogte van de Nilantsweg. Ook berichtte de Telegraaf over de impact die het achterwege blijven van actie heeft op de bewoners van huizen pal onder/naast de IJsselbrug. Ook de Stentor heeft 15 november 2013 eerder bericht over het juridisch geschil tussen de gemeente Zwolle en de betreffende inwoners van Zwolle. Van zowel de uitspraak als de artikelen zijn een kopie bijgevoegd. 

 

N.a.v. de recente berichtgeving is het CDA benieuwd naar de status van de afwikkeling van de uitspraak van de Raad van State vanuit het perspectief van de gemeente Zwolle. In de Telegraaf wordt door de woordvoerder van de gemeente Zwolle gesteld dat belanghebbende (Rijkswaterstaat) opnieuw een vergunningsverzoek zal indienen. En de woordvoerder laat duidelijk merken dat dat verzoek zal worden gehonoreerd. Dit is naar de mening van de fractie van het CDA te kort door de bocht.

 

Het feit dat belanghebbenden uiteindelijk in het gelijk zijn gesteld, zal naar onze mening niet op een schijnbare achteloze wijze ter zijde mogen worden geschoven. Dit met name vanwege het feit dat de Raad van State bij tussenvonnis al eens de gemeente de gelegenheid heeft gegeven het motiveringsgebrek te verhelpen. En de Raad van State na aanvulling door de gemeente van de motivering alsnog het beroep van de bewoners van de Nilantsweg gegrond verklaard. 

 

Het CDA zou graag zien dat betrokken partijen hernieuwd met elkaar in overleg gaan om te komen tot een oplossing zonder rechtsgang. Wij zijn ons daarbij bewust van de complexiteit in de juridische verhoudingen. Maar in het onderhavige geval vindt het CDA dat na de uitspraak het woongenot van de betreffende bewoners door de gemeente, maar in meerdere mate door Rijkswaterstaat, meer op waarde moet worden geschat.

 

Voorgaande brengt ons uiteindelijk tot de volgende vragen:

  1. Hoe is door de gemeente Zwolle en Rijkswaterstaat gehandeld in vervolg op de uitspraak van de Raad van State van 7 augustus 2013? Welke stappen zijn gezet?
  2. Welk doel wordt thans door de gemeente Zwolle en Rijkswaterstaat beoogd in relatie tot de geluidsschermen en de bewoners aan de Nilantsweg?
  3. Wanneer de gemeente Zwolle met in achtneming van de uitspraak van de Raad van State het aanstaande vergunningsverzoek alsnog negatief zou beoordelen, wat zijn dan de gevolgen voor Rijkswaterstaat en voor de gemeente Zwolle? 
  4. Is of wordt overwogen alsnog te komen tot een regeling met betrokken bewoners?
  5. Is het college bereid om in overleg te treden met Rijkswaterstaat om te komen tot een bevredigende oplossing voor betreffende bewoners aan de Nilantsweg?

 

Alvast hartelijk dank voor de beantwoording.

 

Namens de fractie van het CDA,

 

Martijn van der Veen

 

 
Bijlage:
 

Uitspraak 201105321/1/A1

DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 7 augustus 2013

TEGEN het college van burgemeester en wethouders van Zwolle

PROCEDURESOORT Eerste aanleg – meervoudig

RECHTSGEBIED Algemene kamer – Hoger Beroep – Bouwen

201105321/1/A1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2013

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

 

Uitspraak in het geding tussen:

 

[appellant A], [appellante B], [appellant C] en [appellante D], wonend te Zwolle, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant])

 

en

 

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

verweerder.

 

Procesverloop

 

Bij besluit van 9 maart 2011 heeft het college, voor zover thans van belang, aan de vennootschap onder firma BAM Combinatie A28 Zwolle-Meppel V.o.f., rechtsvoorgangster van Rijkswaterstaat – Directie Oost-Nederland, bouwvergunning verleend voor het plaatsen van twee geluidsschermen langs de A28/IJsselbrug in de gemeente Zwolle.

 

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2011, beroep ingesteld.

 

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

 

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

 

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2011, waar [appellant A] en [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.S.C. van Dop, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Aan de zijde van het college is tevens verschenen R.L.J. van der Maat. Voorts is verschenen Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door mr. F.J.G. van den Elsen. Tevens is aan zijn zijde verschenen J. van de Werfhorst, ing. V.R. Veenstra en ir. A.A. van Beuzekom.

 

Bij tussenuitspraak van 4 april 2012 in zaak nr. 201105321/T1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 9 maart 2011 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

 

Bij brief van 20 juni 2012 heeft het college het besluit van 9 maart 2011 nader gemotiveerd.

 

Bij brief van 14 augustus 2012 heeft [appellant] een zienswijze ingediend.

 

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft bij brief van 19 december 2012 desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Bij brief van 18 februari 2013 heeft de StAB daarop gereageerd.

 

Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gebleven.

 

Overwegingen

 

1. De woningen van [appellant A] en [appellant C] zijn gelegen naast de IJsselbrug, waar het bouwplan zal worden gerealiseerd.

 

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college niet is ingegaan op het betoog van [appellant] dat de botsbelasting moet worden bezien in combinatie met de permanente belasting en dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting evenmin voldoende blijkt dat de in dit geval relevante in NEN 6702 genoemde belastingen en combinaties van belastingen zijn onderzocht en of in zoverre het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit. De Afdeling heeft het college opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door een deugdelijke motivering aan het besluit ten grondslag te leggen, in die zin dat zo nodig op grond van nader onderzoek, inzichtelijk wordt gemaakt op grond waarvan het college zich op het standpunt stelt dat het bouwplan, gelet op de verschillende belastingen en combinaties van belastingen, voldoet aan het NEN 6702. Het college dient hierbij tevens in te gaan op de opmerkingen van Alferink-Van Schieveen in de brief van 21 september 2011 dat in door het college bij zijn verweerschrift overgelegde nadere berekeningen abusievelijk wordt gerekend met de rekenwaarde van de mortelspecie en dat voorbij wordt gegaan aan het feit dat de bij het bouwplan gebruikte bouten zijn ingedraaid in een staalplaat, waardoor de momentcapaciteit van de voeg geringer is dan door BAM is aangegeven.

 

3. Naar aanleiding van de nadere motivering van het college van 20 juni 2011 en de reactie van [appellant] daarop heeft de Afdeling aanleiding gezien de StAB om een deskundigenbericht te verzoeken. In dit deskundigenbericht is desverzocht ingegaan op hetgeen door [appellant] en het college is aangevoerd over de combinatie van de permanente belasting en de botsbelasting, de sterkte van de mortelvoegverbinding, de invloed van de bevestiging van de M24-bouten in de schroefdraad in een staalplaat in plaats van een bout en de invloed van de voeghoogte op de constructie.

 

4. Het college heeft zich in zijn nadere motivering van 20 juni 2012 op het standpunt gesteld dat de permanente belasting een geringe, maar positieve invloed heeft op de krachtwerking van de bouten van de constructie.

 

In paragraaf 3.4 van het deskundigenbericht is een beschouwing opgenomen over de standpunten en berekeningen van het college en [appellant] over de combinatie permanente en botsbelasting. Volgens het deskundigenbericht leidt het krachtmoment tot het, overigens geringe, positieve effect waar het college op heeft gewezen. Geconcludeerd wordt dat de permanente belasting van de constructie een te verwaarlozen invloed heeft op de trekkracht op de M24-draadeinden die in de stalen plaat op het bruglichaam zijn aangebracht. [appellant] heeft deze conclusie niet gemotiveerd bestreden, zodat van de juistheid van het standpunt van het college wordt uitgegaan.

 

5. Het college is zijn nadere motivering voorts ingegaan op het betoog van [appellant] dat bij de berekening van de sterkte van de mortelvoegverbinding de rekenwaarde voor beton dient te worden gebruikt en niet die van staal. Volgens het college dient de rekenwaarde voor staal te worden gebruikt, maar indien de rekenwaarde voor beton zou worden aangehouden, zou dat geen gevolgen hebben voor de constructie.

 

In paragraaf 3.5 van het deskundigenbericht is vermeld dat het college en [appellant] het erover eens zijn dat het aanhouden van een rekenwaarde voor beton dan wel staal geen gevolgen heeft voor de sterkte van de mortelvoegverbinding. Het college en [appellant] komen niet tegen deze conclusie op, zodat hiervan wordt uitgegaan.

 

6. Het college is in de nadere motivering voorts ingegaan op het betoog van [appellant] dat de trekkracht niet kan worden opgenomen door de schroefdraad in de 25 mm dikke staalplaat. Onder verwijzing naar daarover gemaakte berekeningen heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de bevestiging van de bouten in de staalplaat van 25 mm dikte en de momentcapaciteit van de voeg voldoen aan de gestelde normen.

 

In paragraaf 3.6 van het deskundigenbericht is vermeld dat de werkelijke kracht op de M24-draadeinden geen 203 kN maar 111 kN bedraagt en daarmee dus ook de door [appellant] berekende afschuifsterkte van 122 kN van een M24-bout in een S235 staatplaat niet wordt overschreden. De StAB merkt nog op dat, anders dan het college in zijn nadere motivering heeft opgemerkt, de voeg geen trek kan opnemen en dus de bouten 100% van de trekkracht moeten opnemen. Nu in dit geval de trekkracht kleiner is dan de afschuifsterkte, heeft dit volgens de StAB geen gevolgen voor de eerder getrokken conclusie.

 

Het college heeft bij brief van 28 januari 2013 aangegeven met de conclusie van de StAB, dat de optredende trekkracht kan worden opgenomen door de schroefdraad in de staalplaat, te kunnen instemmen. Voor zover [appellant] stelt dat de StAB bij de berekening niet heeft onderkend dat in de stalen plaat geen schroefdraad met een lengte van 25 mm is getapt, wordt overwogen dat, zoals ook de StAB in haar advies en aanvullende reactie van 18 februari 2013 heeft aangegeven, dient te worden uitgegaan van de bouwtekening. Nu [appellant] voor het overige voormelde conclusie van de StAB niet heeft bestreden, wordt overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de trekkracht kan worden opgenomen door de schroefdraad in de staalplaat. Zo al, naar [appellant] stelt, de bevestiging niet overeenkomstig de bouwtekening zou zijn uitgevoerd, kan [appellant] het college verzoeken handhavend op te treden. Zoals door de StAB in de reactie van 18 februari 2013 is opgemerkt, kan hiervoor de stalen plaat die met vier bouten aan het viaduct is bevestigd, worden verwijderd ter controle.

 

7. Het college is in zijn nadere motivering tot slot ingegaan op de berekeningen van Alferink-Van Schieveen van het moment ter plaatse van de ondersabeling, de voeg tussen de twee stalen platen. Het college heeft er in dit verband op gewezen dat het toepassen van de variabele voegen een gevolg is van het verloop in de hoogterichting van de brug. Indien voor een vaste verbinding was gekozen, zou het niet mogelijk zijn om het scherm, in de hoogterichting, uit te lijnen. Het college merkt op dat [appellant] er, onder verwijzing naar berekeningen van Alferink-Van Schieveen van het moment ter plaatse van de ondersabeling, ten onrechte van uitgaat dat de botsbelasting dient te worden opgenomen door één stijl. Volgens het college blijkt uit zijn berekeningen dat de barrier zich als een ligger gedraagt die de botsbelasting over meerdere stijlen verdeeld en dat de capaciteit van de ondersabeling en de ankers voldoende zijn om de optredende momenten te kunnen opnemen. In reactie hierop heeft [appellant], onder verwijzing naar het rapport van Alferink-Van Schieveen van augustus 2012, aangevoerd dat het college niet heeft onderkend dat door de grote voeghoogte de bouten ook buigend worden belast. Hij voert daartoe aan dat met een voeghoogte van 105 mm de sterkte van de ankerboutverbinding slechts de helft bedraagt van een verbinding met een standaard voeghoogte van 25 mm.

 

In paragraaf 3.7 van het deskundigenbericht is vermeld dat, om de hoogteverschillen op het viaduct te corrigeren, een variabele ondersabeling is toegepast, hetgeen betekent dat de standaardwaarde van de voeg van 25 mm plaatselijk hoger kan zijn, tot maximaal 105 mm. Indien van een buigend moment, zoals door [appellant] gesteld, sprake is, zal dit pas gevolgen hebben bij een ondersabeling van meer dan 60 mm. De aanvraag bevat echter geen gegevens over op welke plaatsen de voeg groter is dan 60 mm, aldus de StAB. De StAB concludeert dat het buiten haar expertise valt om te bepalen of, en zo ja, in hoeverre de ondersabeling leidt tot een situatie waarbij onvoldoende marge aanwezig is om bezwijken van de bevestiging van de stijl te voorkomen en met name wat de gevolgen zijn voor de constructie als geheel. De StAB verwijst op dit punt nog naar hetgeen zij in paragraaf 3.6 heeft opgemerkt. Daarin is vermeld dat het aannemelijk is dat een botsing in de praktijk zal worden opgevangen door meerdere stijlen omdat deze samen met de barrier één mechanisch geheel vormen en de afstand tussen de stijlen slechts circa 2 m bedraagt. Volgens de StAB is het te verwachten dat hierdoor de botskracht kan worden opgevangen doordat vervorming van de constructie zal plaatsvinden, maar is dat door het college niet inzichtelijk gemaakt. De meest praktische manier om bedoeld effect te beoordelen is aan de hand van een botsproef. Deze proef is inmiddels ook uitgevoerd, maar [appellant] is het daar niet mee eens, aldus de StAB. De StAB heeft de uitgevoerde botsproef verder niet besproken omdat dat buiten de haar gestelde vragen valt.

 

In zijn zienswijze op het advies van de StAB, waar is uitgegaan van de berekeningen van Alferink-Van Schieveen over het buigend moment, heeft het college aangegeven dat er in die berekeningen aan bepaalde aspecten voorbij wordt gegaan. Aan de hand van berekeningen komt het college tot de conclusie dat de combinatie van ankers en voeg de krachten die optreden bij een botsbelasting kunnen opnemen. In het door [appellant] bij zijn zienswijze overgelegde rapport van Alferink-Van Schieveen is vermeld dat de voegconstructie ook dwarskracht dient over te brengen, maar deze kracht in het aansluitvak met de stalen voetplaat niet kan worden overgebracht in de ondersabelde voeg, zodat de dwarskracht dient te worden opgenomen door de ankers. Deze ankers, en dus niet de voeg, worden derhalve, naast een zuivere trek of druk, eveneens belast met een buigend moment. Voorts is vermeld dat de capaciteit van de voeg substantieel afneemt bij een hogere voeghoogte.

 

In de reactie van de StAB op deze zienswijzen is vermeld dat partijen van mening blijven verschillen over de vraag wat de invloed is van de hoogte van de ondersabeling op de vraag of de bevestiging van de stijlen sterk genoeg is. Herhaald is dat het voorgaande buiten de expertise van de StAB valt.

 

7.1. Bij de aanvraag om bouwvergunning zijn bouwtekeningen overgelegd. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] van 22 november 2010 op het ontwerpbesluit inzake de verlening van de bouwvergunning heeft het college constructieberekeningen opgevraagd bij de aanvrager van de bouwvergunning.

 

Niet in geschil is dat de voeghoogte op sommige plekken op de IJsselbrug meer is dan 25 mm en oploopt tot 105 mm. Tussen partijen is in geschil wat de invloed is van de hoogte van de voeg op de vraag of de bevestiging van de stijlen sterk genoeg is. Uit de stukken van het dossier blijkt evenwel niet waar op de brug de voeg groter is dan 60 mm en of de betreffende plekken verspreid dan wel in een reeks achter elkaar op de brug liggen. Dit blijkt evenmin uit de brief van het college van 25 januari 2013. De bij die brief overgelegde berekeningen leiden niet tot het oordeel dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat de bevestiging van de stijlen sterk genoeg is, nu daaruit onder meer onvoldoende blijkt dat rekening is gehouden met de verschillende voeghoogten. Dat aannemelijk is dat een botsing in de praktijk zal worden opgevangen door meerdere stijlen en te verwachten is dat hierdoor de botskracht kan worden opgevangen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat, zoals door de StAB is vermeld, dit door het college niet inzichtelijk is gemaakt. Dat een botsproef is verricht met een positief resultaat, leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat [appellant] dit positieve resultaat bestrijdt, omdat de botsproef niet is uitgevoerd met een constructie die wat betreft de voeghoogte vergelijkbaar is aan het bouwplan.

 

Gelet hierop wordt overwogen dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan afdeling 2.1 van het Bouwbesluit 2003. Het college heeft het in de uitspraak van 4 april 2012 geconstateerde gebrek niet hersteld.

 

8. Het beroep is gegrond. Het besluit van 9 maart 2011 dient te worden vernietigd.

 

9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

 

9.1. Voor zover [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep, overweegt de Afdeling dat het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht een forfaitair vergoedingsstelsel kent. De hoogte van de werkelijke kosten van rechtsbijstand is daarom niet relevant.

 

Wat de kosten voor het inschakelen van een deskundige betreft, overweegt de Afdeling dat uit de door [appellant] overgelegde factuur niet blijkt hoeveel uren de deskundige heeft besteed aan de werkzaamheden voor [appellant]. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor vergoeding van deze kosten.

 

[appellant A] heeft voorts verzocht om vergoeding van de reis- en verletkosten die door hem en [appellant C] zijn gemaakt. Geen aanleiding bestaat evenwel voor een uitzondering op de regel dat voor niet meer dan één van de gezamenlijk procederende personen verlet- en reiskosten worden vergoed. Wat betreft de verletkosten gaat [appellant A] in de bij het "Formulier Proceskosten" gevoegde bijlage uit van een bedrag van € 39,50 per uur. Dit bedrag is door hem echter niet onderbouwd zodat, gelet op artikel 2, eerste lid, sub d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, dient te worden uitgegaan van een bedrag van € 4,54 per uur en in totaal zes uur voor het bijwonen van de zitting. Wat betreft de reiskosten die zijn gemaakt, wordt uitgegaan van de kosten per openbaar middel van vervoer. Van de gemaakte kosten komt daarom € 44,31 voor vergoeding in aanmerking.

 

Beslissing

 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

 

I. verklaart het beroep gegrond;

 

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle van 9 maart 2011, kenmerk 109801/hp0903;

 

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zwolle tot vergoeding van bij [appellant A], [appellante B], [appellant C] en [appellante D] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.015,55 (zegge: duizendvijftien euro en vijfenvijftig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

 

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zwolle aan [appellant A], [appellante B], [appellant C] en [appellante D] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

 

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

 

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

 

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2013

Artikel delen:
Reactie 1
  1. Fijn om te lezen dat er een partij is die het gedrag van de gemeente publiekelijk ter discussie stelt en het voor de bewoners opneemt.

    Hoewel ik zelf in een ander deel van Zwolle woon, is het toch te gek voor woorden dat de gemeente de uitspraak van de Raad van State zo naast zich neerlegt.

    Zou ik eens moeten doen, moet je kijken wat ik dan op mn dak krijg!
    Goed dat de gemeente nu op haar plek wordt gezet.



    ⚠️ Meld

Reageer